|
||||||||
|
Zeggen dat Grey DeLisle in een productieve periode zit is tegelijk een understatement van formaat en een klinkklare leugen: enerzijds komen de platen en de songs er bij bosjes uitgerold sinds de Covid-pandemie, maar anderzijds heeft de dame in de loop der jaren letterlijk hon-der-den stemmen ingesproken en is zij op die manier een van de meest gevraagde “voice actors” van de States geworden, maar tegelijk heeft ze ook nog eens drie kinderen op de wereld gezet en grootgebracht. Grey is dus duidelijk zo iemand die over dagen van 48 uren lijkt te beschikken, maar wat nog sterker is, is dat zij in al haar werkzaamheden enorm strenge normen hanteert en dus nooit iets uitbrengt, waarvan je denk “dit had niet gehoeven”. Oké, ik geef toe: ik ben een fan van de dame, maar dat heeft goeie redenen: ik vind dat zij, als weinig anderen, zowat elk genre geloofwaardig kan brengen en dat ze die stijlen ook allemaal in de vingers heeft en zij dus nummers schrijft, die zodanig naturel klinken, dat je alleen maar met open mond kan zitten te luisteren. Voor haar nieuwe plaat heeft ze kennelijk nog een tandje bij gestoken: niet minder dan twintig songs staan er op, allemaal bijeen gepend in een soort gulp, die er kwam als tegenreactie na een periode van relatieve stilte. Met Old ’97-bassist Murray Hammond, naast jarenlange muzikale kompaan ook de vader van één van haar kinderen en eigenaar van een volledig met vintage materiaal uitgeruste opnamestudio, begon Grey de basistracks van de songs op te nemen. De resultaten werden via de telefoon doorgespeeld aan Marvin Etzioni, met wie ze al in 1999 haar eerste plaat opnam. Die man kent haar dus, weet hoe ze werkt en vooral: hij weet wat haar songs nodig hebben aan productie? Daarenboven kent Etzioni zowat elke muzikant die er in de Americana en rootsrock toe doen en zo kwam het dat de songs eerst in handen kwamen van Tammy Rogers, die op haar gekende manier voor de nodige fiddleklanken zorgde? Daarna ging het naar Greg Leisz, de leverancier bij uitstek van pedal steel-bijdragen en tenslotte, voor de blazers kwam ze terecht bij David Ralicke, die je kunt kennen van bij Lucinda Williams of John Cale? Al die meer dan getalenteerde mensen speelden hun bijdragen apart van elkaar in, waarna studio-tovenaar Todd Burke een en ander digitaliseerde? voorwaar een heel bijzondere aflossingsrace, die een resultaat meebracht, waar hier ten huize de voorbije weken dagelijks minstens één keer naar geluisterd werd. Allemaal eigen werk van Grey, met uitzondering van “Convince Me” dat Etzioni oorspronkelijk voor Roy Orbison schreef en dat hier een heel respectvolle Orbison-achtige vertolking meekrijgt van Grey. Dat toeval al eens een handje geholpen kan worden, bewijst “40 Something Runaway”, dat door Cherie Currie ingezongen wordt. Die bleek toevallig bij een etentje naast Grey te zijn terecht gekomen en die aarzelde niet om haar te vragen of ze ’t zag zitten om de song te zingen. Dat wilde ze wel en kijk, ’t is één van de vele hoogtepunten op deze plaat. Stephen McCarthy, van The Long Ryders en The Jayhawks, moest ook nauwelijks overtuigd worden om te koen meedoen op “Didn’t we Try” en hetzelfde gebeurde met “Mi Vida”, waar Deke Dickerson de staande bas bespeelt.. De optelsom van al dat talent is een plaat van net geen uur, die geen seconde te lang duurt. Ik lees dat de studio voor de opnames van de volgende plaat, met John Carter Cash, al geboekt is voor later deze lente. Een mens krijgt zo alweer iets om naar uit te kijken want, laten we daar duidelijk over zijn: Grey DeLisle is al enkele platen lang op het toppunt van haar kunnen en deze hier is daar geen uitzondering op. Ik kan het niet helpen, maar ik smelt telkens weer compleet weg, als ik de Dolly Parton-in-Grey-DeLisle hoor. Ik wens u dezelfde afwijking toe ! (Dani Heyvaert) releasedatum: 4 april.
|